dinsdag 27 februari 2018

Lof der Zotheid

We zaten in het restaurant en keken aapjes. Ik, de vrouw en de vriend. Ik had de belevenissen van het stel achter de glasplaat, aan de andere kant van de ingang, al een tijd lang moeten volgen via interpretaties van de vriend en de vrouw. Nu wilde ik een plek aan hun kant van de tafel, zodat ik het stille toneelstuk kon voorzien van mijn eigen commentaar. Mijn vrouw en ik wisselden van stoel.

De vriend en de vrouw waren het er inmiddels over eens dat het stel elkaar voor het eerst zag. Na een klein minuutje observeren kon ik het daarmee eens zijn. Ze waren ongeveer 50. De heer, grijze lokken, sjofel gekleed - hip-sjofel begreep ik van mijn vrouw - zat achterovergeleund, was stil en knikte af en toe. De dame - bleek, vlassig haar, anorectisch dun, druk - raakte hem zoveel mogelijk aan, en voerde, met de regelmatige en gulzige slokken uit haar zoveelste glas wijn als enige tussenpozen, het woord. Terwijl ze haar steeds aangeschotener blik steeds verlangender op hem liet rusten, liet ze opzichtig een nootje achter haar blouse vallen dat ze met geveinsde moeite en met veel omhaal weer tevoorschijn haalde. Ze leek rechtstreeks weggelopen uit Erasmus’ Lof der Zotheid.

‘Nog veel leuker is het de aandacht te richten op oude vrouwtjes die […] zo lijkachtig zijn dat ze ogenschijnlijk uit de onderwereld zijn teruggekeerd […]. Ze zijn nog steeds verliefd en […] krols. […] laten hun verschrompelde en slappe borsten zien […] Ze kunnen aardig drinken […] en smeren zichzelf met honing in.’

Ze waren duidelijk niet van hier en de bediening had ons inmiddels toevertrouwd dat beiden een westers, waarschijnlijk Rotterdams accent hadden. Het doel van de ontmoeting was voor alle toeschouwers ook duidelijk. De vrouw was er klaar voor. De man leek te denken: ach, ik ben er nu toch. Mijn mannelijke disgenoot beweerde in allerlei plastische beschrijvingen de gedachten en fantasie├źn van de twee te kunnen lezen. We lachten.

Het jonge stelletje, oud-leerlingen, dat zat te eten naast de twee, bevestigde dat. In de rookpauze van mijn vrouw op het binnenpleintje van het restaurant vertelde het meisje dat ze met haar vriend aan de andere kant van de tafel appte om het hele gebeuren onopvallend te analyseren. Over de intentie van beiden was geen misverstand mogelijk. Ook moest de ontmoeting geheim blijven.

Over de manier waarop de twee elkaar ontmoet hadden bestond meningsverschil. Modern als wij waren, leek ons Tinder de waarschijnlijkste optie. Het meisje in de bediening lachte die mogelijkheid weg. Tinder was niet voor oude mensen en of wij niet hadden gezien dat ze allebei een trouwring om hun vinger hadden. Mensen van onze leeftijd en in onze levensfase moesten toch begrijpen dat Second Love veel meer voor de hand lag. Het zou de wens tot geheimhouding in ieder geval verklaren.

Bij het naar buiten gaan zei de dame, terwijl ze haar hand op de bil van de heer legde: ‘Man, we zitten hier bijna in Denemarken.’ Ze bedoelde te zeggen: ‘Heb je gezien hoe die achterlijke bijna-buitenlanders ons in de gaten zitten te houden? Ik wil weg hier.’ En ze had gelijk. Maar ze moest wel weten dat ook een bekend stadsgenoot haar uitlachte; Erasmus, Rotterdammer, humanist ook. 500 jaar geleden, dat dan weer wel.

‘Ik zal even haar stoel droogwrijven’, riep het meisje van de bediening richting iedereen en niemand. We lachten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten